De krekel en de mier


Beste kindertjes, ik wil jullie het verhaal vertellen van de krekel en de mier. En dat is niet zomaar een verhaal, nee hoor, het is een verhaal met een moraal. Dat betekent dat er een wijze les in zit. Goed opletten, dus.

Nog niet zo lang geleden, tijdens een mooie zomer, was er eens een nijvere mier. Begrijp je niet wat ‘nijvere’ betekent? Dat is hetzelfde als ‘ijverig’. Het was dus een mier die heel hard kon werken. Ze was de hele dag bezig met zaadjes te rapen, sappige blaadjes in stukjes te knippen en kleine stukjes fruit te verzamelen. Ze stopte alles mooi weg in haar nest, als voorraad voor de koude wintermaanden.

Vlakbij haar nest woonde er een vrolijke krekel. Die danste en zong en speelde de hele dag viool. Alle insecten werden er vrolijk van. Allemaal, behalve de mier. Dat zag de krekel ook en die probeerde haar tevergeefs op te vrolijken: “Kom nou, mier, je kunt toch niet altijd werken? Dans en zing een keertje mee, je zult zien dat je je veel beter voelt.” Maar de mier snelde nors voorbij, met haar voorpootjes vol zaadjes en fruit. Terwijl haar voorraadkamer steeds voller en voller werd, werd de mier steeds knorriger en knorriger.

Maar de mooie zomer ging voorbij en het werd steeds kouder. Er was bijna geen voedsel meer te vinden. De mier vond dat niet erg, want zij had een mooi voorraadje. De krekel had geen voorraad aangelegd en werd steeds hongeriger. Eerst kreeg hij nog wat eten van de insecten die de hele zomer genoten hadden van zijn muziek, maar die begonnen zich terug te trekken in hun winterholletje, zodat de krekel helemaal alleen overbleef.

Uiteindelijk was de krekel zó hongerig, dat hij bij de mier aanklopte. “Liefste mier, kun je me niet een klein zaadje geven, of een stukje van die sappige blaadjes? Ik hou het niet meer van de honger.” “Vergeet het maar,” zei de mier hardvochtig, “dan had je in de zomer zelf maar een voorraad aangelegd hebben. Waarom zou ik mijn voedsel delen met een luie nietsnut als jij?” En ze sloeg haar deurtje dicht voor de neus van de arme krekel.

Droevig en moedeloos ging hij voor zijn huisje zitten en deed het enige wat hij goed kon: hij speelde een liedje op zijn viool dat precies uitdrukte hoe hij zich voelde. Nu was het geen vrolijk liedje, maar een heel weemoedige, trieste melodie. Maar wel een heel mooie, zo mooi dat de insecten in de buurt er helemaal door ontroerd werden. Ook een dikke kakkerlak die net voorbijkwam, en die had een ideetje.

“Zeg eens, krekel, je speelt daar een mooi liedje, dat echt bij de herfst en de winter past. En ik weet dat je ook vrolijke liedjes kent. Wat vind je van een samenwerking?” vroeg de kakkerlak aan de verbaasde krekel. “Als je hier, voor je eigen holletje, blijft spelen, hoort bijna niemand je. Maar ik weet alle plekjes waar de insecten de winter doorbrengen. Ik kan je introduceren, en dan speel je eerst je droeve liedjes en later je vrolijke. De andere insecten zullen er zeker voor willen betalen met een stukje van hun wintervoorraad. 60% voor mij, 40% voor jou, wat denk je?”

De krekel vond het eigenlijk niet helemaal eerlijk: hij deed al het werk en de kakkerlak kreeg het grootste deel van de winst. Maar hij had geen keus en samen gingen ze op zoek naar insecten die in hun winterverblijf zaten. De krekel speelde voor muggen, vliegen, kevers, rupsen, zelfs voor regenwormen. Vooral het droeve liedje vonden ze heel mooi, maar ze waren ook heel blij met de vrolijke liedjes: die brachten de zon van de zomer binnen in hun winterholletje. Ook al kreeg de kakkerlak de grootste beloning, toch had de krekel al snel genoeg voedselvoorraad bij elkaar gespeeld en gezongen voor een hele winter en meer.

De mier had minder geluk. Die had dan wel een mooie voorraad, maar tijdens een overstroming, laat in de herfst, werd die helemaal weggespoeld. De mier had plots niets meer en dreigde zelf van honger om te komen. Ze durfde geen hulp te vragen aan haar buur de krekel, omdat ze zo lelijk gedaan had toen hij bij haar aanklopte. Maar de krekel dacht er anders over. Hij ging nog een keertje spelen en zingen bij de andere insecten, maar nu maakte hij er benefietoptredens van: alle voedsel dat de insecten hem gaven, hield hij bij voor de mier. Toen hij genoeg had, ging hij het naar haar holletje brengen.

De mier was blij en verbaasd tegelijkertijd. “Waarom ben je zo vrijgevig, en dan nog tegenover mij, die zo hardvochtig was toen je hongerig bij mij aanklopte?” “Ach,” zei de krekel, “eigenlijk had je wel gelijk, ik had wat meer moeten werken tijdens de zomer. En je mag niet vergeten dat het door jou kwam dat ik dat mooie, droeve liedje speelde. Als de kakkerlak dat niet gehoord had en op zijn ideetje gekomen was, zou ik geen wintervoorraad bij elkaar verdiend kunnen hebben, niet voor mij en niet voor jou. Zo zie je maar weer, we hebben elkaar allemaal nodig.”

Sindsdien zijn de krekel en de mier de beste maatjes. De mier is nog altijd ijverig, maar ze neemt nu en dan de tijd om vrolijk te zijn en te dansen op de deuntjes van de krekel. De krekel blijft zingen en spelen, maar vergeet nooit meer om ervoor te zorgen dat hij een wintervoorraadje bij elkaar krijgt. En de moraal van het verhaal? Die staat in de laatste zin van de vorige alinea. Toch nog maar even herhalen: “Zo zie je maar weer, we hebben elkaar allemaal nodig.”

Mark Mulders

Auteur kinderverhalen

Reacties


Meest gelezen :



Blijf op de hoogte ! Activiteiten, recepten, wedstrijden, …
Mijn kortingen
Karpediem
gratis vormpje om thuis mee verder te experimenteren...
APR Productions/All Kids
Famidoo leden krijgen bij ons 10% korting....
Activ Kamp - Sporthotel
Korting van 5% voor groepen vanaf 20 personen of op vertoon ...
Meer kortingen [+]

Website developed by MooGoo